Hassnae

Bouazza

Kerk en staat

De scheiding tussen kerk en staat is in Nederland sinds 1795 eigenlijk altijd een vrij oncontroversieel gegeven geweest. Iedereen heeft ervan geprofiteerd: de kerk, de staat, en alle verschillende groeperingen die Nederland rijk is; dankzij de scheiding konden Rooms-katholieken zich emanciperen, gereformeerden ook.

 

Maar onder invloed van het islamdebat heeft iedereen opeens een mening over de scheiding tussen kerk en staat. Zo vond Job Cohen bijvoorbeeld dat daar best aan gemorreld mocht worden, terwijl Jeanine Hennis lijkt te denken dat de scheiding in gevaar is als een ambtenaar een hoofddoek draagt.

 

Dit alles gebaseerd op de wijdverbreide misvatting dat de scheiding tussen kerk en staat betekent dat de overheid gevrijwaard moet blijven van religieuze invloeden, of dat religie zelfs helemaal uit de openbare ruimte moet worden gebannen.

 

Maar dat is nou juist het mooie van de scheiding tussen kerk en staat: dat de overheid niet bepaalt welke religieuze uitingen wel, en welke niet mogen worden toegestaan. Moslims hebben baat bij de scheiding tussen kerk en staat, zoals vroeger gereformeerden dat hadden, en Rooms-katholieken. Die scheiding beschermt namelijk ook hun godsdienstvrijheid. En ze voorkomt dat politici, aangestoken door het virus van populisme, zich gaan bemoeien met de manier waarop zij zich, bijvoorbeeld, kleden.

 

Er is geen recht om gevrijwaard te blijven van religieuze uitingen. Dat is niet waar de scheiding tussen kerk en staat over gaat, en ook niet waar de vrijheid van godsdienst in voorziet. Vrijheid van godsdienst is iets anders dan 'vrij van godsdienst.'

 

Toen Ahmed Marcouch, toen nog stadsdeelvoorzitter, het plan opperde om moskeeën in te zetten bij het intomen van jongens, die op het verkeerde pad dreigden te raken, of zich al op dat pad bevonden, en hun religieuze identiteit te erkennen, werd hij er snel van beschuldigd de scheiding tussen kerk en staat op te willen heffen, en Nederland te willen islamiseren.

 

Integendeel, Marcouch toonde zich juist een pragmatische discipel van de oer-Hollandse schrijver W.F. Hermans, die stelde dat een pastoor, die de angst voor de hel erin houdt, meer waard is dan honderd politieagenten.

 

Soms is het gewoon onverstandig om uit alle macht 'vrij van godsdienst' te willen zijn, als een godsdienst kan inspireren, troost bieden, of zelfs kan worden ingezet voor het welzijn van een hele gemeenschap, van gelovigen en ongelovigen.

 

Zo ook met de hoofddoek. Een hoofddoekverbod voor ambtenaren is symboolpolitiek. Een ambtenaar wordt niet neutraler of betrouwbaarder als ze haar hoofddoek afdoet. Ze zet er haar islam niet mee uit. Weinig ambtenaren zijn zo loyaal als de gelovige, gehoofddoekte Fatima Elatik, die homostellen trouwt. Weigerambtenaren hebben daarentegen zelden een hoofddoek, en die vormen nou juist een risico voor de scheiding van kerk en staat. Zij laten hun 'kerk' immers een beslissende invloed hebben op het uitvoeren van hun overheidstaak.

 

De laatste tijd is er een groeiend aantal wetten en wetsvoorstellen dat tot doel heeft gelovigen, en dan natuurlijk vooral de moslims, met de joodse gemeenschap als collateral damage, te beperken in hun geloofsbeleving. Daarmee probeert dit kabinet, maar ook de oppositie, Nederland terug te voeren naar de tijd van vóór de scheiding tussen kerk en staat.

 

Ik denk daarom dat het goed is een debat te hebben over die scheiding, en ik hoop dat de uitkomst daarvan zal zijn dat die scheiding extra bestendigd wordt.

 

Voorgedragen tijdens hoorzitting Scheiding Kerk en Staat in de Tweede Kamer op 15 september 2011.

 

© Hassnae Bouazza, 2013